Inzet kabinet niet in belang Nederlandse burger
Nederlanders gebaat bij democratisch Europa
Nu de 100 dagen van het kabinet achter de rug zijn en de Eurotop in Berlijn aanstaande is, wordt duidelijk wat de inzet is van het kabinet in de onderhandelingen over een nieuw Europees verdrag. Volgens Arno Uijlenhoet doet het kabinet onvoldoende recht aan de bezwaren van veel Nederlanders tegen het grondwettelijke verdrag. Naar zijn oordeel staan de democratische rechten van de Nederlandse burgers op de tocht doordat het verlies aan vetorechten onvoldoende wordt gecompenseerd door democratische controle op de macht. Hij pleit daarom voor versterking van de positie van het Europees parlement.
Ruim twee jaar geleden stemde Nederland tegen de invoering van het grondwettelijk Europees verdrag. Komend weekeinde wordt in Berlijn onderhandeld over een routekaart naar een nieuw verdrag. De toekomst van Europa staat op het spel. In deze onderhandelingen zet ons kabinet in op een tweetal hoofdpunten. In de eerste plaats ijvert het kabinet voor het verwijderen van al die elementen in het verdrag die verwijzen naar het grondwettelijke karakter ervan. De lijst met grondrechten, de vlag en het volkslied dienen uit een nieuw verdrag te worden verwijderd. Als argument hiervoor wordt aangevoerd dat de Nederlandse bevolking geen superstaat wil, een supranationale staat waar niemand invloed op heeft. Daarnaast zet het kabinet in op meer invloed voor de nationale parlementen in samenhang met een duidelijkere afbakening tussen de nationale en Europese bevoegdheden. De sluipende overdracht van bevoegdheden van de lidstaten naar Brussel moet worden gestopt, zo is de redenering.
De inzet van het kabinet lijkt zo op zichzelf heel plausibel. En zelfs de SP, bij monde van buitenland woordvoerder Van Bommel, kan zich in grote lijnen vinden in de opstelling van het kabinet. Het is echter de vraag of met deze inzet van het kabinet daadwerkelijk recht wordt gedaan aan het ‘nee’ van de Nederlandse kiezers en of hiermee de belangen van de Nederlandse burgers in voldoende mate worden gediend. Een belangrijke reden waarom veel Nederlanders het grondwettelijke verdrag hebben verworpen is, dat men het gevoel heeft de grip op de macht kwijt te zijn. Verschillende onderzoeken hebben dat uitgewezen. En het gevoel is terecht: In het Europa van 27 lidstaten hebben kleinere lidstaten zoals Nederland minder te vertellen, zeker wanneer besluiten niet meer bij unanimiteit maar bij gekwalificeerde meerderheid genomen worden. Zowel in de Raad van Ministers als in het Europees Parlement verschuift de macht naar de vier tot zes grote lidstaten, die in onderling overleg compromissen kunnen sluiten en daarmee de dienst uitmaken. De Nederlandse kiezer heeft goed aangevoeld dat met de uitbreiding van de Unie er sprake is van een ‘regime change’.
Opvallend is daarom dat het kabinet niet wezenlijk wil tornen aan de institutionele en beleidsmatige kaders zoals die in het grondwettelijke verdrag zijn voorgesteld. Ter compensatie van het verlies aan veto’s (de invoering van besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid in plaats van bij unanimiteit) wordt alleen gepleit voor een zogeheten gele of oranje kaart procedure, waardoor nationale parlementen de Commissie kunnen dwingen om voorstellen te heroverwegen. Men accepteert dat de Unie de bevoegdheid krijgt om het economische beleid en het werkgelegenheidsbeleid te coördineren en een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te voeren. Ook het voorstel om te werken met een vaste raadsvoorzitter en één gezamenlijke minister van buitenlandse zaken wordt omarmd. Het kabinet kiest daarmee voor de vreemde figuur dat Europa meer supranationale bevoegdheden en armslag krijgt, maar dat controle op de uitoefening van die bevoegdheden vooral georganiseerd blijft langs nationale lijnen, via de nationale parlementen en de Raad van Ministers. Door het opgeven van vetorechten verspeelt men echter tegelijkertijd mogelijkheden om langs die nationale lijn correcties op Europese besluitvorming aan te brengen. Het risico is daarmee levensgroot dat de onderhandelingen in Berlijn zullen leiden tot een resultaat dat exact is waar het kabinet van zegt zo beducht voor te zijn: Europa wordt een supranationale staat waar niemand meer grip op heeft.
De oplossing is om het dreigende verlies aan democratische rechten van de Nederlandse burger te compenseren door deze meer invloed te geven in de Europese besluitvorming. Dat kan door de besluitvorming in Europa veel democratischer te maken. Bevoegdheden komen dan meer democratisch tot stand en de macht in Europa wordt beter controleerbaar. De toekomst ligt daarom in het Europa van de burger. Belangrijk daarin is dat het Europees parlement volwaardige democratische bevoegdheden krijgt en dat het voor een deel via Europese lijsten wordt verkozen. Wanneer het Europees parlement via Europese lijsten wordt verkozen, zal het voor de burger veel herkenbaarder worden. Het Nederlandse ‘nee’ heeft laten zien dat de een democratische unie nodig is om Europa controleerbaar te maken en bestuurbaar te houden. Laat dat de boodschap zijn die het kabinet inbrengt in de onderhandelingen voor een nieuw verdrag.
Arno Uijlenhoet is lid van het hoofdbestuur van Newropeans
Add comment juli 6th, 2007 admin